Ga naar hoofdinhoud

Uit de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz), volgt dat het verboden is om onderscheid te maken bij het aanbieden, aangaan en beëindigen van een arbeidsverhouding als een persoon vanwege handicap of chronische ziekte op andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbaar geval.

Op grond de Wgbh/cz geldt dat indien degene die meent dat een onderscheid is of wordt gemaakt, in rechte feiten aanvoert die dat onderscheid kunnen doen vermoeden, de wederpartij dient te bewijzen dat niet in strijd met deze wet is gehandeld.

In een door ons kantoor gevoerde zaak kwam de kantonrechter tot het oordeel dat de werkgever in strijd handelde met de Wgbh/cz en kende aan cliënte een billijke vergoeding toe van € 33.000,00 bruto.

Kort en goed waren de feiten in de zaak als volgt. Cliënte werd nog voordat haar werkzaamheden zijn aangevangen bij haar nieuwe werkgever ontslagen.  In de opzeggingsbrief schreef de werkgever – zonder nadere toelichting – dat het ontslag verband hield met “de huidige situatie”. De werkgever stelde zich op het standpunt dat het ontslag niet werd verleend omwille van de ziekte, maar tijdens de ziekte. Aan het ontslag zouden beweerdelijk bedrijfseconomische redenen ten grondslag liggen. Enig bewijs voor een penibele financiële situatie werd echter niet overgelegd in de procedure. De kantonrechter oordeelde dan ook dat niet anders kan worden geconcludeerd dan dat het door werkgever gegeven ontslag onlosmakelijk verbonden is met de ziekte van cliënte.

De beschikking leest u hier. Vanwege de uitzonderlijkheid van de zaak, is de kwestie in de media niet onopgemerkt gebleven, verwezen zij naar RTL Nieuws.

Mocht u in het kader van arbeidsrecht (verboden onderscheid, ontslag, proeftijd) vragen hebben, neemt u dan (vrijblijvend) contact op met ons kantoor. U kunt ons bereiken op telefoonnummer 0475 – 76 91 90 of per e-mail info@leeuwadvocatuur.nl.

mr. R.A.J. van der Leeuw

Laat een reactie achter